woensdag 23 juni 2010

foto's van de red centre

de vliegennetjes
de swag, open

zonsondergang


Kings Canyon



the Garden of Eden




Alice Springs and the red centre

We hadden een goedkope vlucht gevonden naar Alice Springs. John en Shirley zetten ons en onze naar 15 kg gereduceerde bagage ’s ochtends vroeg om 5u af aan de luchthaven. De rest van de bagage en Eduardo lieten we in hun veilige handen achter. In de voormiddag landden we op de luchthaven van Alice Springs, een stuk asfalt in the middle of nowhere met een gebouw ernaast neergepoot. Daar namen we de eerste de beste gratis shuttle naar een hostel, want man, wat was het al warm. Toddies hostel was het geworden, en het was anders dan de hostels dusver: allemaal aparte gebouwen verspreid over een groot terrein met 2 zwembaadjes. Je kon naar de overkant huppelen in drie stappen, maar toch zalig fris.

Veel Australiërs doen laatdunkend over de Aboriginals, over het geld dat ze van de staat krijgen, over hun dronkenschap, over hun rondhangen. En dikwijls waarschuwden ze ons ook voor de Aboriginals in Alice Springs. Het is moeilijk om in discussie te treden met mensen die ergens rotsvast van overtuigd zijn. Dus hebben we veel op onze tanden gebeten bij uitspraken als “de enige goede Abo is een dode.” Racisme is overal. En in Alice waren er effectief veel Aboriginals die rondhingen, in de schaduw zittend, maar ook soms dronken op de stoep liggen te slapen of tegen elkaar staan te schreeuwen. ’s Nachts zagen we een paar gevechten, en het inslaan van ruiten, wat blijkbaar dagelijkse kost is. Ergens achter een auto stond om 3u ’s nachts een klein kindje te wenen, terwijl de ouders een paar meter verder stonden te schreeuwen en lallen. Voor velen was het iets bedreigends, maar wij hebben ons al onveiliger in Brussel gevoeld, dus was het voor ons voornamelijk een vreemd tafereel en een voorbeeld van hoe schrijnend de situatie is waarin sommige Aboriginals beland zijn. De gids vertelde dat een Aboriginal niet tegen de suikers die in alcohol zitten kan en er sneller verslaafd aan raakt. De blanke man vroeger zag dit als een middel om ze aan zich te binden. En we beseffen ook maar al te goed dat dit niet het geval voor de hele oorspronkelijke bevolking van Australië, maar velen zitten vast tussen twee werelden. Beetje bij beetje wordt er voor een oplossing gezorgd, om goed te maken wat hun voorouders hier aangericht hebben. Maar de niet zo racistische en niet zo kleingeestige Australiërs geven toe dat ze er nog lang niet zijn. Ayers Rock is bijvoorbeeld terug gegeven aan de Aboriginal stam, maar ze zijn verplicht het nog 100 jaar te verhuren aan de staat.

Maar goed, wij kwamen voornamelijk naar Alice Springs om de gekende rotsen en de woestijn er rond te verkennen. Wij twee alleen in the red centre, dat zou niet goed gekomen zijn, dus hebben we ons ingeschreven in een tour. Om 6u werden we opgepikt door een busje met remork, onze 19 medereizigers en de gids Jared. Zoals gewoonlijk: veel Duitsers. (Bijna een op drie backpackers die je hier ontmoet is Duits.) Tegen de middag kwamen we aan in Kings Canyon, waar een grote wandeling op het programma stond. Die begon met een klim die naar de naam ‘heart attack stairs’ luistert, in warme temperaturen kan dat al ’s kloppen. Maar we konden het aan, en de verkoeling halverwege de trektocht was paradijselijk. De naam van de waterhole in de rotsen daar is toepasselijk: the Garden of Eden.

Daarna gingen we hout sprokkelen voor het kampvuur en reden we al richting Uluru. Kamp werd opgeslagen op een terrein dat deel is van een cattle farm zo groot als Nederland, Curtin Springs. Vreemd dat koeien hier meer ruimte hebben dan wij Belgen in ons landje. Kamp opslaan, versta hieronder: het vuur maken, dan grote worstachtige dingen er in cirkelvorm rondleggen. Deze opgerolde matten/slaapzakken worden swags genoemd en zouden ons bedje zijn voor de komende 2 nachten. Tijdens de demonstratie door de gids kreeg Jolien de slappe lach. We hadden ons er mentaal op voorbereid dat het geen luxe ging zijn, en we hadden al over de swags ofte mini-tents gehoord, maar de oude versies die we kregen was toch iets wat we ons niet op voorhand ingebeeld hadden kunnen hebben. Hoe beschrijven? Een grote slaapzak met een matje in gemaakt uit stevige tegen de regen bestand ‘legerstof’ die je tot aan je gezicht langs twee kanten kan dichtritsen en zo breed is dat je je eigen slaapzak en spullen er nog kan insteken. Maar wat met de bovenkant? Wij hadden gehoord dat er dan een flap is met een kleine constructie waardoor die dan op zo’n 20cm van je gezicht hangt. Niet bij deze versie: hier moest je de flap gewoon over je gezicht trekken en je dan op je zij draaien; een opening laten en daarlangs ademen. We zijn nog nooit zo blij geweest dat het niet regende en die flap gerust de hele nacht open kon blijven… Maar die twee nachten in de swags waren bij de beste in ons leven, zo goed geslapen dat we hebben, en ook: je valt in slaap onder de sterrenhemel, naast het smeulende kampvuur. And believe us, what you see in Belgium isn’t worth calling stars…

Wij waren gewoon te koken op een gasvuurtje, maar op deze trip werd het anders aangepakt: koken in het kampvuur! Rijst, chili con carne, groentjes, maar ook brood gemaakt door gewoon bloem en bier en kruiden in een pot in het vuur te zetten voor enkele uurtjes. ’s Ochtends vroeg, of nog in de nacht om 5u wakker gemaakt naast de laatste smeulende restanten van het kampvuur. Het is nog donker dan, en dat is noodzakelijk om te eten, toch als je het op je gemak wil doen, want vanaf de eerste zonnestralen zijn ze daar: troepen vliegen die op je zweet afkomen, en amper weg te jagen zijn met wilde gebaren. Dankzij onze outback-loving Australische grootouders John en Shirley waren wij voorbereid: ze hadden ons twee extreem niet fashionable netjes meegegeven, en de woorden ‘you’ll need them!’ wij dachten, ja ja… maar grepen er toch naar aan het einde van de eerste dag, het kriebelende gevoel van zeven zich verplaatsende tache de beautées op ons gezicht meer dan beu.

Eens het kamp opgekraamd was en het ontbijt verorberd, reden we verder naar Kata Tjuta, of de Olga’s (genaamd door de ontdekkingsreiziger naar zijn favoriete Spaanse danseres in die tijd). Het is meer en meer de gewoonte aan het worden om de Aboriginal naam te gebruiken, dus zeggen we ook meer Uluru (maar dan op z’n Vlaams Oeloeroe) dan Ayer’s Rock. Over Kata Tjuta hadden we bijlange niet zoveel gehoord als over de twee andere steenformaties die op de agenda stonden, en we zijn super blij dat we ze toch nog gezien hebben, echt prachtig. Het gaat om een rotsen familie van 36 in verschillende maten, maar allemaal met een afgeronde top. Om er tussen te lopen is echt fantastisch, om de zoveel meter een ander uitzicht, en van het deel dat je mag verkennen als toerist is de Valley of the Winds the top of the bill. Het gros van de bergen mag je niet verkennen, want de Aboriginals jagen er nog en voeren er hun rituelen uit. Tijdens deze wandeling kregen we veel te horen over de Aboriginals zelf, de rotsformaties (Uluru staat blijkbaar op z’n zij, vandaar dat de groeven de andere kant uitgaan), en de Dreamtime van de Aboriginals, of hun Chukapa (geen idee hoe je het schrijft, maar dat is ook normaal, ze hebben geen schrift). Elke put of groef in de rotsen heeft een verhaal met een moraal (steel niet) of praktisch nut (zoals hier kan je schuilen) die door de volwassenen aan de kinderen aangeleerd worden.

’s Avonds gegeten met zicht op Uluru en de zonsondergang die deze rots in de meest fantastische kleuren doet veranderen. Wij waren op een minder luxueuze tour, en de meer luxueuze tours kwamen naast ons parkeren met hun bussen, waaruit de mensen stroomden naar de tafels met tafelkleed en champagneglazen. De moment dat de zon weg was, een half uur na aankomst, verzamelden ze allemaal braaf terug op hun bus. Wij zaten toen nog als zwervers op de grond met ons bordje en een ‘geleende’ fles wijn van de luxe tours. Zoals het hoort als je een backpacker bent…

De volgende morgen opnieuw vroeg wakker om de zonsopgang mee te maken bij Uluru, en vervolgens de negen kilometer rond de rots gewandeld. Je mag er nog steeds op klimmen, hoewel de Aboriginal stam je vraagt het niet te doen. Van onze groep wouden drie Aziatische meisjes toch klimmen. Een van de meisjes viel er bijna af toen ze achter haar hoedje liep dat afgewaaid was. Na het middageten reden we terug naar Alice Springs. Want dat komt misschien niet zo duidelijk over in dit verslag, maar de afstanden tussen de verschillende plaatsen zijn niet te onderschatten. Op drie dagen reden we bijna 2000km…

De trip werd afgesloten met een etentje in Alice Springs met de hele groep, en een feestje in de pub Bojangles, waar een vreemd allegaartje van mensen de feestjes memorabel maken. We hebben er op Metallica en Lady Gaga en Australische country staan meekwelen met backpackers, Aboriginals, cowboys of jackeroos en locals van alle leeftijden. Zaterdag hadden we om uit te slapen van een vermoeiende trip en een geslaagd afscheidsfeestje, en zondag waren we klaar om de trein te nemen. In Australië zijn er slechts drie grote treinverbindingen, noord zuid (Darwin – Adelaide), oost west (Sydney – Perth) en Adelaide – Melbourne. Wij sprongen halverwege op de noord zuid verbinding, in Alice Springs op de trein, waarmee we de komende 22 uur door de middle of nowhere zouden tuffen tegen 85 km/u, geregeld stilstaand om tegenliggers door te laten op het enkel spoor dat er over de 3000km tussen Darwin en Adelaide gelegd is. De trein is genoemd naar de Afghanen die begin vorige eeuw op hun kamelen meehielpen het centrum te verkennen en de sporen te leggen: the Ghan. Je kan een luxe persoonlijke slaapcoupé nemen, maar ons budget koos voor de gewone zetel. We hadden geluk dat we in een vrijwel lege coupé zaten en dus elk 4 stoelen konden innemen en het slapen nog gezellig en redelijk comfortabel was. Maandag arriveerden we in Adelaide en vlogen we John en Shirley rond de nek en reden we terug naar Campelltown voor nog een week die er twee werden.

maandag 7 juni 2010

Adelaide and our family there

Na het weekendje met de Franse mede-druivenplukkers uit Penola in Adelaide, besloten we langs te gaan bij John en Shirley Collins, een van de twee oude koppels die ons in Penola uitgenodigd hadden bij hun thuis in Adelaide. Maandagochtend arriveerden we er, en werden meteen uitgenodigd in de tuin voor de morning coffee. Ze stelden voor dat we bij hen konden logeren, zo lang nodig was. Wij natuurlijk blij dat voorstel aangenomen. Na de problemen met de auto, de laatste nachten in de regen in ons tentje in Penola, en het koken van simpele rijst en pasta gerechtjes op ons gasvuurtje leek dit een meer dan welkome en aangename afwisseling. En achteraf bekeken was dat een van onze beste ervaringen in Adelaide. Bij Jeff en Margie waren we ook graag, maar de vreemde onwennigheid die daar aanvankelijk was, was nu nergens te bespeuren. John en Shirley zijn grappig, kunnen goed vertellen, zijn lief, houden van een drankje op tijd en stond, en goed eten, vanzelfsprekend dat wij twee goed met hen overeenkomen. Het feit dat ze zeventig zijn is gewoon een vreemd detail in deze vriendschap. Na een week liet John, grootvader van zes kleinzoons, zich al ontvallen dat hij heel blij was met zijn twee kleindochters, the bloody Belgian sheilas. En Shirley kon alleen maar glimlachend beamen: " You girls…" De adoptie door Australische grootouders was een feit. Eentje waar natuurlijk op gedronken moest worden…

Wat doe je zoal met zeventigjarige vrienden? Wel, van de nazomerzon genieten in de tuin, een beetje verdikken door het goed eten en drinken, maar ook de stad verkennen, en vooral de Adelaide Hills, die toen prachtig in hun herfstkleuren de stad omringden. John en Shirley zijn daar opgegroeid, en zijn er nog steeds verliefd op. We bezochten een wildlife centre waar we een koala vast mochten houden, en Mount Lofty, het hoogste punt met een prachtig uitzicht over de stad. Maar ook de aardbeiboerderij van Shirley haar zus Pam, de plek waar hun ouderlijk huis stond, en vooral de huizen van hun kroost. Want geen grootouders zonder een familie. We stellen u voor: oom Mike, de politieman, zijn zoons Shane en Brad, Mikes vriendin met de Italiaanse achtergrond Milli, en haar dochter Marissa (een nieuwe vriendschap, maar dan een binnen onze leeftijdsgroep) en zoon Adrian, verzot op voetbal en groot kenner van Europa, haar voetbalsteden toch. Vervolgens de plaatselijke ex-basketlegende dochter Sue, haar man met eveneens Italiaanse achtergrond Gaby, hun twee zoontjes Cooper en Olli, en het nieuwe hondje Jarra, dat al meer in het ziekenhuis heeft gelegen dan Lisa in Australië. Ten slotte, zoon David, die we wegens een drukbezet man slechts een keer gezien hebben aan het einde van ons verblijf, maar sindsdien onze vriend op facebook is. Zijn evenzeer drukbezette vrouw Kerri en hij voeden twee schatten van zonen op: Aaron en Riley, maar zoals het hoort op een drukke-drukke manier. En toch, na slechts één ontmoeting vonden ze ons de meest aangename Belgische meisjes, en werden we uitgenodigd in hun vakantiehuisje aan de Murray River wanneer we terug naar Australie zouden komen, en kregen we reistips voor de rest van onze trip, bloemen uit de tuin en Stella’s.

Naast tuin- en huishoudelijk werk en familie hebben 65+ mensen doorgaans ook nog vrienden. De beste vrienden van John en Shirley hadden we in Penola al ontmoet, Rachel en Malcolm Morris. Ze waren maar wat blij dat we in Adelaide waren en namen de kans om hun kennis en liefde voor de stad, die ze doorgans op vrijwilligersbasis twee dagen per week aan het publiek schenken, op ons af te doen stevenen. Een beetje overweldigend, maar fantastisch. In een van de registers in het museum stond de over-over-…-overgrootvader van Shirley als een van de mannen die als settler uit het Verenigd Konikrijk was overgekomen naar Adelaide. We hadden met ons zessen een prachtige dag in Glenelg, het strand gedeelte van Adelaide. De dag was begonnen met een drankje en een Pavlova, een speciale taart met een meringue basis die we moesten geproefd hebben in Australië. Wel, we kunnen zonder. Op de middag lunchten we op een bankje. Het menu? Fish and chips uit het vuistje en een fles limonade. Cute wanneer de oudjes jong doen. ’s Avonds op hun terras meer drank, aperitief hapjes en dan lasagne. Samen dronken worden, dat is iets wat vrienden doen, dus ook hier geen uitzondering! Een tweede uitstapje stond een week later op de agenda, maar nu wouden ze de Belgische meisjes voor zichzelf. Een ander bekend deel van Adelaide is de Barossa Valley, thuis van de vele wijndruiven. We bezochten Jacob’s Creek en Peter Lehman. Er mocht telkens geproefd worden…perfect! De leuke namiddag werd afgesloten in een Italiaans restaurantje, waarvan de eigenaar bevriend was met Malcolm. De Belgian girls deden de oude Italiaan aan Europa denken, waardoor hij plots onze mening wou over zijn home made gelatti en een groot gratis ijsje in onze handen duwden. Who are we to complain?

Ons verblijf bij de grootouders had ook een effect op het binnen- en buitenlopen van de kleinzoons. John en Shirley grapten dat ze ze nog nooit zoveel gezien hadden nu er twee iets oudere meisjes rondliepen. Wij vonden dat ook grappig, maar onze faves waren de twee kleinsten Ollie en Cooper, 10 en 12. Met hun gingen we een dagje op schok om het meer ludieke deel van de Hills te bezichtigen, zijnde een gigantisch schommelpaard en een chocoladefabriek. Sue, de mama met een beetje hoogtevrees, had het goed bekeken aangezien de jongens niet met haar maar met ons dat gigantisch houten paard beklimmen wouden. Dat het van hout was en niet van steen was een verrassing voor Jolien, die nog nooit van het woord ‘rocking horse’ had gehoord en een stenen constructie verwachtte en wanneer we naast het schommelpaard stonden zoekend bleef rondkijken.
De twee jongens verjaarden ook terwijl we er waren, en we werden op de feestjes uitgenodigd. Beleefd als we zijn namen we ook een kadootje mee, we waren op slag de lievelingsnichten. J We hadden Shirley ook geholpen met haar baksels die ze klaar moest hebben voor de feesten. De favoriet van de familie zijn Honey Crackles en cheesecake. Te proeven na onze thuiskomst in Bijgaarden of Lombeek.

Campbelltown ligt op een twintig minuten durende busrit van Adelaide centrum. Gemakkelijk en goedkoop om een dagje in de stad rond te hangen. Op een van die uitjes waren we niet alleen. Shirley spreekt namelijk om de twee weken met een groepje vriendinnen af om in het centrum te gaan lunchen en shoppen. Deze keer werden geïnviteerd. Pam en Rachel kenden we al, en doordat een van de twee andere dames afgezegd had, weten we nu niet zo goed meer met welke van die twee we nu wel geshopt hebben, we houden het op Anne. Super gezellige dag. En wij zijn nu hoopvol voor onze toekomst, shoppen kan nog als je zeventig bent! Wel een ander soort shoppen moeten we toegeven, en op een ander ritme. Er werd gezocht naar knopen, badmatten, wollen gilets,postkaartjes …

We zijn ook een paar keer bij Milli, de nieuwe schoondochter in de familie, thuis geweest. Lekker Italiaans eten, een zwembad, een modern interieur, een prehistorische internetverbinding, het was eens iets anders. Maar het waren vooral twee vrouwen waarmee we onnozel konden doen, en vanonder onze dekentjes in de zetel samen gillend naar chickflicks en griezelfilms keken. Een voorbeeld: Marissa, haar dochter, Jolien en Lisa verkrampt naast elkaar onder de dekentjes met de handen voor de ogen, en Milli op en neer springend in de zetel al gillend "Kill him, kill him!" wanneer de moordenaar in The Red Dragon probeert toe te slaan. De zoon des huizes Adrian maakte alles nog wat erger door af en toe ons nog extra te doen verschieten. Milli haar ouders komen uit Italië. En dat hebben we geweten: erg luid en veel gebaren. We werden aan een deel van de familie voorgesteld: een van de zussen en haar twee schattige kinderen Indiana en Kobe, maar ook La Mamma. We waren al gewaarschuwd dat ze niet op haar mondje gevallen was, en een fervent gebruiker van de middelvinger. Maar ze vond ons leuk en wou ons erbij op de grote Moederdag festiviteiten.

Moederdag, een internationaal feit. En wij zaten vreemdgenoeg met onze moeders zo’n 17000 km verder met een drukke agenda. ’s Ochtends met John en Shirley gaan ontbijten bij David en Kerri, ’s middags met de Italiaanse familie gaan eten in een Chinees restaurant, met dessert en Italiaanse koffie thuis nadien. Dan terug naar ons grootouderlijk huis, waar Sue en Mike elk met hun aanhang samentroepten. Het overvolle gevoel in de buik was erger dan met Kerstmis… Het was een superleuke dag, maar ook een beetje raar om iedereen zijn of haar moeder te zien vastnemen, terwijl wij dat niet konden. Maar wij kunnen dan wel weer via deze weg zeggen: mama en moeke, wij zien jullie graag!

Je kan je beginnen afvragen hoe lang we daar geweest zijn. Hier volgt een korte schets: de eerste week verkenden we Adelaide en Campbelltown en leerden we beetje bij beetje de familie kennen. De tweede week lieten we Eduardo in de veilige handen van John, en vlogen we naar Alice Springs voor een fantastisch weekje. Week drie was normaal gezien de laatste, voorzien van afscheidsdiner voor de hele familie en kadootjes voor John en Shirley. Maar de dag dat we met tranen in de ogen vertrokken richting binnenland, sputterde Eduardo tegen. We hadden net de dag voordien Roadside Assistance genomen, om zeker te zijn, en kijk ’s aan, we hadden het nodig! We waren platgevallen na 15 minuten rijden al… De man van de RAA kwam, maakte de auto voorlopig, en stuurde ons naar een garage gespecialiseerd in elektronica. In de namiddag stonden we bij wijze van verrassing opnieuw voor de deur van John en Shirley, die het maar wat te grappig vonden na de eerste verbazing. De afspraak in de garage was gemaakt, in tussentijd gingen we naar de hostels, kijken of we de auto konden verkopen. Want het vertrouwen in Eduardo was nu wel erg laag. Maar blijkbaar had de garagist in Penola half werk geleverd (als het dat al was). Hij had ‘gefoefeld’ zoals we dat noemen met een kabeltje opdat het toch zou passen, in plaats van de juiste te bestellen. Dus nu had de garage de zes (want het is en blijft onze V6) sparkplugs en de kabels vervangen. Dat was een rekening die te vermijden was als Chris Martin in Penola wat beter zijn best had gedaan… Maar het was en is nu zo. We besloten nog te blijven tot na Moederdag, na de uitnodigingen. En dinsdag vertrokken we, deze keer voor echt, richting Sydney dwars door de vele landbouwstreken. En opnieuw waren er tranen in de ogen, zelfs bij stoere beenhouwer John. Sindsdien houden we wekelijks onze Aussie grootouders op de hoogte van onze avonturen, en geven zij ons de weerberichten en familienieuws.

zondag 2 mei 2010

Penola, SA

Waar waren we gebleven? Oh ja, we waren al sputterend in het dorpje Penola in South Australia geraakt. De olijke bende wegenwerkers had ons geëntertaind, en de zorgen over onze tegenspruttelende auto even weggenomen, maar ’s anderendaags was het opnieuw naar de realiteit. We laadden onze spullen uit de auto, in de ensuite van onze kampplaats, en kregen de auto uiteindelijk zonder probleem voor de garage geparkeerd van Chris Martin. De man geeft een slome indruk, en die indruk werd bevestigd nadat we een dikke week op onze auto moesten wachten. We zaten dus vast in Penola… Maar dat was zo slecht nog niet. Zeker niet toen we meteen de dag erna konden beginnen werken! De eerste werkervaring was binnen: druiven plukken. We werden ingelijfd in het team van Chris, die een soort interimbureau heeft in de streek van Coonawarra . Hij verzamelt het werkvolk voor de verschillende wijngaarden en regelt de administratie. Hij kon nog mensen gebruiken voor het einde van het seizoen, en daar waren wij dan! Druiven plukken onder leiding van onze beste Chris is een beetje als in het leger zitten. Elke vroege ochtend rukten we aan in rijen van twee, meisjes en jongens apart. Je werd geplaatst tegenover iemand die je niet kende, en je mocht geen woord zeggen naast de naam van je partner, “bucket!” wanneer je emmer uitpuilde van de druiven, en “thank you” wanneer een van de bucket boys je emmer leegde. En dat minstens acht uur per dag met een minimum aan pauzes. De ergste dag was 11 uur werken met slechts 25 minuten pauze die hele dag. Maar we hebben het overleefd, leuke mensen ontmoet – zoals een bende samenreizende Fransen, een Hollands koppeltje en een gek Duits/Italiaans duo - en het geld verdiend dat de garagist ons aanrekende nadat hij onze auto na 10 dagen weer rijdbaar verklaarde.
Penola was ook het Australisch dorpje waar Lisa 24 werd. Dat werd gevierd met taart, liters wijn en een zalig niets doen in het zonnetje, het was after all paasmaandag. De dag ervoor waren we naar de paardenraces geweest. Pardon? Jawel, paardenraces. Heel erg groot in Australië, paardenraces. Je kan hier elke 5 minuten wedden. Maar waarom halen twee Belgische meisjes die er niets vanaf weten het in hun hoofd om erheen te trekken? De schuldigen zijn: John en Shirley en Rachel en Malcolm, twee bejaarde bevriende koppels die elk in hun ‘van’ uit ‘84 geregeld samen tripjes maken, en zo op onze camping in Penola terechtkwamen. Vanaf hun eerste dag waren ze nieuwsgierig naar die twee meisjes die daar zaten te kamperen zonder auto. We raakten al snel aan de praat en we kregen drankjes en hapjes voorgeschoteld. Ze hadden ook wat medelijden met ons, en leenden ons dikke dekens voor de nachten die wat kouder waren daar in Penola. Ze namen ons mee naar de races en probeerden ons in te wijden in de sport van het paardenwedden. Maar wij hebben wijselijk bedankt. Ze waren er achteraf bekeken niet zo goed in, de mannen met hun grote mond toch, de vrouwen die er maar voor het plezier een dollar inzetten, wonnen telkens wel geld! Op 5 april, Lisa’s verjaardag vertrokken ze weer naar Adelaide, maar niet zonder een verjaardagskaart en kadootje voor Lisa en hun adressen en de boodschap van zeker langs te komen wanneer we in Adelaide geraakt waren.
We werkten nog drie dagen, en zodra onze auto de garage uit mocht, zeiden we Chris beleefd dag met het handje en trokken naar Adelaide. De laatste werkdag maakte het stoppen met werken nog makkelijker dan anders. De werkomstandigheden waren iets extremers. Het regende de hele ochtend, bovendien moesten we beschimmelde druiven plukken. Dikke trossen wit beslagen stinkende druiven, die daarenboven nog ’s nat en slijmerig werden in de regen. Zelfs de meest ‘die hard’ fruit pickers die er al zeven weken aan het werken waren, trokken hun neus op. Een erg zoete, dure dessertwijn die heel erg lekker is, wordt blijkbaar van dit soort druiven gemaakt. In de toekomst bedanken wij vriendelijk voor die wijn, met het gevoel van die schimmeldruiven nog in ons geheugen.

We reden samen met Stef en Annemiek naar Adelaide. In konvooi met hun auto voelden we ons iets zekerder over onze auto. Zij waren zo vriendelijk ons telkens op te pikken en naar het werk te brengen, in ruil voor het gebruik van onze douches. Goeie deal aangezien wij geen auto ter beschikking hadden en de wijngaarden telkens ver uit het dorpscentrum lagen.
Maar wij waren niet degenen met autopech. Die eer was aan een bende Fransen (Olivier,zijn ex Anne Sophie, Alexe, Pierre, Thibault, Chloe, Julien en zijn Duitse maar perfect Franstalige Christy et Petit Belge de Liege Julian) Zij hadden ook bij Chris gewerkt maar waren al eerder die dag vertrokken richting Adelaide, waar we allemaal hadden afgesproken. Het weerzien was iets sneller, namelijk op de autostrade zo’n 180km van Adelaide. We stopten zodra we hun gele busje langs de kant zagen staan en rook uit hun wit autootje zagen komen. De auto van 600 dollar behoorde toe aan Christy en Julien. Ze probeerden een uur lang de auto terug in gang te krijgen, maar tevergeefs. Het laatste uur van de auto was geslagen. Annemiek en Stef, het Hollands koppel, besloten om al te verder te rijden aangezien ze gingen kamperen buiten de stad. Als echte Franse banlieue jongeren wist de bende hoe ze alle identificatiemogelijkheden weg moesten krijgen, tot in de motor toe. Want de auto achterlaten is goedkoper dan hem te laten wegtakelen wanneer je auto nog geen 600 dollar waard is. Wij reden al door naar de hostel met een deel van de Franse bagage op onze achterbank. Zij gingen in het reeds met vijf man en bijhorende bagage gevulde busje bijkruipen. In de hostel installeerden we ons uiteindelijk met z’n dertienen in een 10 bedroom dorm. Gezellige luidruchtige chaos in een hostel die de gasten soigneerde met gratis apple pie om acht uur ’s avonds en gratis ontbijt. Wij waren meer dan content.

Na een gezellig Frans feestweekend trokken we maandagochtend naar 44 Wicks Ave, waar John en Shirley Collins wonen, van wie het onbeschrijflijk hard was drie weken later afscheid te nemen. Maar die avonturen verdienen een apart hoofdstuk. Stay tuned…

maandag 19 april 2010

Exit Melbourne and off to Adelaide!

We reden naar het zuiden van de peninsula, Portsea, waar de ferry vertrekt naar de overkant van de baai. De ferry nemen is goedkoper dan de baai rond te rijden langs Melbourne, en ook gewoon leuk. We kregen al snel gezelschap van een groepje dolfijnen, super mooi om te zien. Eens de ferry uitgereden, zagen we het bord van de Great Ocean Road al. Deze weg langs de kust tussen Melbourne en Adelaide wordt als een van de mooiste ritten ter wereld bestempeld. Wij waren er klaar voor! Het eerste grote dorpje op de weg is Torquay, Surf Capital. Een week later vond daar de Rip Curl Pro surfwedstrijd plaats op Bells Beach, en de pro’s waren er al aan het trainen! We merkten dit aan de massa mensen die naast ons stond en enthousiast wezen naar de zwarte stipjes in het water die effectief beduidend langer rechtstonden dan die we voorheen in de Australische waters gespot hadden.
Wij dachten dat het niet meer stuk kon gaan: de zon scheen, de mensen waren vrolijk, en er waren een massa surfers en surfwinkels. Maar dan kregen we te horen in het informatiecentrum dat de Paasvakantie voor de deur stond en dat de plaatsen om te overnachten moeilijker te vinden gingen zijn, en aanzienlijk duurder op deze toeristische route. Damn! Bovendien voorspelden ze regen. Double damn! Maar geen probleem voor ons: de route blijft mooi, en we hebben een neus voor goedkope slaapplaatsen ontwikkeld die nu getest kon worden. ’s Anderendaags wisselden we bijna elk half uur van chauffeur om zoveel mogelijk te zien. De oceaan was iets heviger, maar dat maakte het mooier, de rotskust was spectaculair. De weg was kronkelig en smal, maar wij zijn volleerd links rijdend geworden en de rit verliep vlot. De regen werd heviger in de namiddag en omdat we weinig zin hadden de tent in de regen op te zetten zochten we een hostel. Die vonden we in Apolo Bay. De hostel was super! Het waren een paar huisjes bij elkaar, met douches, keukens en charmante salons over het hele complex verspreid. Needless to say: alles erg shabby chic en bohemian met de nodige vuiligheid waar we blind voor geworden zijn, zoals een paar muizen in de muur naast ons stapelbed. Maar we hadden geluk met onze timing. Er was net een festival: het Apolo Bay Music Festival. Te duur voor ons, maar enkel de ingang van de tenten werd gecontroleerd, het gezellige festivaldorp er rond en de straatanimatiewedstrijd waren gratis. Het was ook net de verjaardag van Lisa haar mama en een telefoontje vanuit een openbare telefoon naar België stond op de agenda. De telefooncel die uitgekozen werd, stond aan de hoofdstraat, maar nog een eindje van het festival zelf. Toch werd het gesprek opeens bemoeilijkt op een absurde manier. Er werd een openingsparade op poten gezet met een paar van de festivalacts. De verjaardagswensen werden van een achtergrond muziekje voorzien door achtereenvolgens een doedelzakgroep, een kindercircus, een zevenkoppige bluesband op één aanhangwagen gepropt, en als laatste een bende musicerende boeddhistische monniken. Gelukkige verjaardag mama!!!
Geconfronteerd met het festivaleten, en met wat ze hier frieten noemen, werden we overvallen met een goesting naar de frietjes van een bepaald Belgisch frietetablissement , dat prompt een kaartje opgestuurd kreeg uit Oz. Jolien bestelt bij deze alvast drie potjes stoofvleessaus en Belgische mayonaise, en Lisa een Bicky friet met andalouse.


De Great Ocean Road is erg toeristisch, en met de vooruitzichten van nog meer slecht weer, handelden we dit deel van Australië iets sneller af dan voorzien. Maar wat we zagen was nog steeds de moeite waard. The Twelve Apostels, ofte 8 grote rotsformaties die er nog van overblijven voor de kust zijn prachtig, alsook The London Bridge, ietsje verder.
In plaats van langs de kust verder naar Adelaide te rijden besloten we in Warnambool de kust achter ons te laten en naar het NP the Grampians te rijden in het binnenland, en zo naar Adelaide te rijden. Dat was (wederom) zonder eerst even te checken met Eduardo onze auto. Deze keer gaf hij ons echt problemen door simpelweg niet meer te willen rijden. Op een stijgende, kronkelende weg naar het NP begon de auto te schudden en weigerde vervolgens vooruit te gaan wanneer er op de gaspedaal gestampt werd. Daar stonden we dan, zondagochtend 9u, twee gefrustreerde meisjes en een oude auto. Ons Belgisch bedje riep ons nog nooit zo luid. Maar wij laten ons niet kisten door een zeepkist met een V6 motor. De auto kregen we in de berm geduwd, onze hersens werden aan het denken gezet. Nog geen kwartier geleden waren we in het vorige dorp langs geweest in het informatiecentrum. Misschien wist de man daar wat we zouden kunnen doen. Want beste lezer, u moet weten, wij zijn niet aangesloten bij de Australische wegenwacht… Dom denkt u? Welnee. Optimistisch dan? Een beetje. Vertrouwend op avontuur, toeval en de goede wil van de Australiër? Sounds more like it! Lionel, de man van het informatiecentrum in Dunkeld herinnerde zich de Belgische meisjes die belachelijk vroeg aan zijn desk stonden, en stelde voor ons te komen takelen na zijn shift om 13u. We konden ofwel daar blijven, ofwel terug naar beneden liften. We hadden net een lift gevonden met een konvooi busjes van Franse backpackers toen de vrouw van Lionel, de informatieman, ons kwam oppikken in haar Mercedes… Lionel en Bev wonen in een adembenemende villa met uitzicht op de twee bergen van het natuurpark. Hij werkt voor Mercedes en heeft daarnaast blijkbaar ook standaard een dikke jeep met oplegger klaar staan. Des te beter voor ons! Hij zette ons en de sputterende Eduardo af voor de garage in Dunkeld, die van Frank. We bleven in de auto slapen tijdens een regen- en stormachtige nacht, maar ’s anderendaags was alles beter. Frank repareerde onze auto voor 20 dollar, het wegkrabben van de lelijke folie op de ruiten inbegrepen, en de zon scheen. Een van de zes plugs van onze V6 motor was blijkbaar losgeraakt. Met alles op zijn plaats, reed Eduardo als nooit te voren. We besloten de vervloekte NP’s achter te laten, en meteen naar Adelaide te rijden. Dat ging vlot. Voor zo’n 200km. Toen begon het schudden opnieuw, en vielen we opnieuw stil. Ditmaal was het 17u en het vooruitzicht van een nacht in de auto te spenderen langs de weg motiveerde ons des te meer om een paar kilometer terug te stappen naar de wegenwerkers die we voorbij gereden waren, in de hoop dat iemand van het gezelschap iets van auto’s wist. Mogen we u presenteren: Chris Williams, de truckchauffeur van de asfaltleggers die iets van auto’s weet en aan een paar dingen in onze motor prutste en hem opnieuw in gang kreeg! Met het hele konvooi roadworkers achterons als extra zekerheid om niet alleen achter te blijven tuften we naar het dichtstbijzijnde dorp genaamd Penola, recht naar de camping, waar ook zij verbleven. We kregen de noodzakelijke alcohol om de stress te verlichten, en eten, dekens voor de koude nachten, stoere verhalen, adressen in Adelaide, en Ozzie plaatsen die we zeker moesten bezoeken. Het moto luidt hier: we hebben het hier allemaal al zelf eens meegemaakt, toen hielpen anderen ons, nu helpen we jullie. Aaaah toevallige ontmoetingen... De auto naar de garage brengen was voor ’s anderendaags.

maandag 5 april 2010

March pictures

Wilsons Prom met zijn Tidal River. Een prachtig natuurpark en dat op het zuidelijkste punt van Australië én, wij zijn er geweest!
Koffie zetten onder het toeziende oog van Kari, dochter van Margie en Jeff.

Dit zijn ze dan: Jeff en Margie!


De pier en het strand in Rosebud.


Philip Island: hét eiland om pinguïns te spotten. En nee, we zaten er niet alleen. Op de eerste rij onder al die poncho's zaten alle Oosterlingen.. En maar wachten!

Rosebud

De maand maart had een constante voor ons: de familie Wild, woonachtig te Rosebud op de Mornington Peninsula, op zo’n twee uur van Melbourne. De leden van het gezin die er vertoeven zijn papa Jeff, mama Margie, en de jongste spruit van vier, de twintigjarige Kari. We waren steeds welkom in hun huis, en aan hun tafel. Bovendien zijn het lieve en grappige mensen, dus sloegen we dat aanbod niet af en maakten van hun huis onze base camp om de streek rond Melbourne te verkennen. Toen we opnieuw (remember onze garage pitstop in Yarram) naar het zuidelijkste punt van Australië wouden gaan, op zo’n drie uur rijden, begon het lampje op het dashboard weer te branden, nadat het oxygen centre gerepareerd was! Dus wij terug… De garagist keek alles nog eens na, en resette het geheugen van het elektronisch dingetje in de motor dat de fouten registreert. (we leren bij over auto’s, maar de termen blijven moeilijk) Misschien was er gewoon nog een restant van de foutmelding in het geheugen. Met goede hoop ondernamen we poging nummer drie, deze keer met een kleine omweg naar Phillip Island, het eiland van de pinguïns. Na het eiland te verkennen, hebben we hier ’s avonds op een tribune (op de eerste rij) in de regen een uur en een half zitten wachten op zo’n 800 kleine pinguïns die de oceaan uit kwamen kruipen en meeuwen ontwijkend het strand over snelden, naar hun nesten aan land. Het eiland zelf is vrij klein en verder niet zo de moeite waard, tenzij je een autofanaat bent want er ligt een racecircuit. Toen we verder reden naar Wilsons Prom was ons vriendje het oranje lampje daar opnieuw! Na een luide vloek en gil of zeven toch terug gereden. Omdat het geheugen gereset was vond hij snel wat er mis was, niets ergs blijkbaar. Onze auto vraagt soms te veel zuurstof, soms te veel brandstof, maar daar merken we niets van als we rijden, en het schaadt de motor niet. Het grondig repareren zou ons alleen maar veel geld kosten, zei de garagist met een hart voor Belgische backpacksters. Hij heeft ons enkel de delen aangerekend, nooit zijn werkuren of expertise. Na al deze mislukte pogingen hadden we even onze buik vol van het naar verluid zo mooie Wilsons Prom. Men zou op den duur nog denken dat het vervloekt is. Dus besloten we naar Melbourne te gaan. We lieten onze auto veilig onder het oog van God achter op de parking van de kerk, en trokken met het openbaar vervoer en een mega backpack op onze rug. (de chauffeur vroeg of we toch op z’n minst de kitchen sink thuis gelaten hadden) We kozen de goedkoopste hostel uit de Lonely Planet en onderhandelden aan de balie nog over de prijs die danig van de prijs in onze reisgids verschilde. Met resultaat: 23 dollar per nacht in plaats van 30! Hier zaten we een week terug tussen jongeren, muziek, bars, winkels (maar we hebben ons ingehouden). Een afwisseling die nodig was. Het was ook St Patrick’s Day terwijl we er waren, een groot feest waarop we ook de vrienden uit Mallacoota terug tegenkwamen! Melbourne zelf beviel ons aanzienlijk meer dan Sydney. Het is vuiler, chaotischer, alternatiever, en stikt van de coole gebouwen. De meest Europese stad in Australië, met delen die aan Parijs, Londen of Berlijn doen denken, maar dan met stralend weer! We hadden geluk, want de week ervoor leed Melbourne onder een storm van hagelbollen en sloten regen. Dit was ook een van de redenen waarom we een deal verkregen in de hostel. Tijdens de storm had een stuk dak het begeven en was de grootste kamer naar de vaantjes en stond de rest even onder water. De deur van onze kamer op het gelijkvloers knelde nog doordat ze uitgezet was door het vocht. Melbourne was ook leuk omdat we een persoonlijke gids hadden: Jonathan, een klasgenootje van Jolien uit het middelbaar. Hij zat al zo’n twee maanden in Melbourne en deelde zijn kennis van en liefde voor de stad maar al te graag. MERCI JONATHAN! In dezelfde hostel zat nog een Belgische, Evi. Het was leuk om nog ’s zo veel Vlaams te horen (Antwerps en Limburgs). Meestal krijgen we te horen van mensen dat we de eerste Belgen zijn die ze tegenkomen, nu vormden we bijna een meerderheid. Toch spraken we bijna altijd Engels onder de Belgen, de anderen dachten anders dat we zaten te roddelen.


Na de citytrip gingen we onze auto ophalen in Rosebud en trokken we voor de bijna ontelbaarste keer richting Wilsons Prom…and we made it! Na een lange kronkelige rit in het donker tegen vijftig per uur (want het wemelde van de wombats en kangoeroes langs de weg) kwamen we midden in de nacht aan in Tidal River, een soort dorpje dat vooral uit een groot (450 plaatsen) kampeerterrein bestaat, midden in het natuurpark. Te moe (en ook een beetje bang van de giant kangoeroe die naast ons stond) om onze tent nog op te zetten, sliepen we in de auto. Wanneer we hem ’s ochtends naar onze kampplaats wouden verzetten, bleek dat de knopjes van de elektrische ruiten niet meer meewerkten…Erg jammer voor de linkerruit die voor twee derde open stond. Nadelig daarenboven in een natuurpark waar beesten naarstig op zoek gaan in auto’s en tenten naar eten. Extreem lastig aangezien ze regen voorspelden. Maar wij laten ons al lang niet meer kisten door autoproblemen en pakken dat meteen op onze manier aan: met een oude handdoek, onze verzameling plastic zakken en de uit medelijden gekregen plakband van de rangers van het park knutselden we heel professioneel een compleet ondoorzichtige en meer dan marginaal uitziende opstelling die regen, beesten en dieven moest ‘tegenhouden’. Trots op onze tijdelijke oplossing stortten we ons met een lunchpakket in de rugzak op de wandelpaden. Het was het allemaal waard, de oranje lampjes en de defecte ruiten gleden uit onze gedachten bij het zien van de Prom. Na een goeie actieve tweedaagse en een autorit terug die iets minder vlot ging met een trage (Vlaamse) Karin in onze GPS en geen zicht op het verkeer langs de linkse kant, kwamen we terug aan bij onze favoriete garagist op de Peninsula: RJ! Hij moest lachen toen we opnieuw aan zijn deur stonden. Kostprijs van de reparatie: 50cent. Blijkbaar waren de twee zekeringen gesprongen die de ruiten, de airco, de pijltjes van de benzine, toerental en warmte in de motor in leven hielden. Weer een mysterie minder voor ons wat betreft auto’s!

Wat hebben we dan toch uitgespookt in Rosebud tussen al deze trips en garagebezoekjes door? Geluierd, we geven het toe. Kari was heel blij met nog wat jongeren in haar omgeving (ze wonen er nog niet erg lang, en het is bovendien een zeer ‘grijs en kreupel’ dorp, dus erg veel vrienden heeft ze er niet). Ze vertroetelde ons, “the girls”, maar al te graag. Ze kocht Tim Tams, een Australische lekkernij die je zelf moet proeven, uitleggen lukt niet, Stella Artois, en ze stelde elke avond haar dvd collectie ter beschikking. Zo huurde ze zelfs eens ‘In Bruges’ om ons een thuisgevoel te geven. Kari heeft wel een beste vriend die in Melbourne woont, Jack. De jongen heeft het niet getroffen, hij heeft zware suikerziekte en epilepsie en mag bijgevolg niet met de auto rijden. Dus wat doen Jack en Kari? Sleep overs bij de vleet. Ze noemen zichzelf een getrouwd koppel zonder het te zijn. Of zoiets. Ze belden elkaar zo’n zes keer per dag… Al was het maar om te zeggen dat ze met ons, “the girls” naar ‘Alice in Wonderland’ ging kijken. Wij hadden de Kari zonder Jack liever, maar namen Jack er dan maar bij. De ouders waren erg blij dat wij er waren, omdat we blijkbaar een heel goed effect hadden op hun dochter, die voor onze komst nogal moeilijk was, en niet uit bed wilde komen. Daarnaast waren ze ook blij omdat wij zo’n opgeruimde meisjes zijn en ook niet vies zijn van een beetje op te ruimen. Een woordje uitleg: Jeff en Margie zijn lieve en genereuze mensen, maar ook erg chaotisch en rommelig. Wij komen blijkbaar allebei uit een huishouden waar er afgeruimd wordt na het eten, en alles meteen weggezet wordt. Nu, in dit huishouden ging dat … lichtjes anders. Wij vonden het een kleine vanzelfsprekendheid om dat op te ruimen, zeker in ruil voor de gastvrijheid, zij vonden een klein wonder dat hun keuken en eetkamer opgeruimd waren. Ze heeft ons zelfs op het einde aangenomen om op een namiddag de ouderlijke slaapkamer op te ruimen. Resultaat: ze durfde er niet meer in te slapen totdat de man van een conferentie terugkwam (drie dagen!).

We hadden al gezegd dat Rosebud een ouden-van-dagen resort is. Maar dat we ook bij Margie thuis zoveel grijze haren gezien hebben verdient een alinea uitleg. Dominee Margie wil tijdens de vasten haar ouderlingen (een groep mensen die voor de anderen in de gemeenschap zorg dragen) bedanken voor al hun werk door hen uit te nodigen voor de lunch. Die ouderlingen zijn met zo veel dat we tijdens ons verblijf een stuk of zeven lunches meegemaakt hebben. Zeven keer looprekken in de gang en een tafel vol grijze haren, dikke brillen, en getater over kleinkinderen over heel Australië. Want iedereen had wel een plekje te vermelden dat we zeker gezien moesten hebben, daar waar zoonlief X of kleindochter Y woonden. Very cute. En een goede oefening voor ons Engels, stuk voor stuk curieuze-neuze- mosterdpotten. Die lunches hielden ook in dat Margie erg gestresseerd rondliep, wij een handje toestaken, en dat er steeds in dagen die volgden de left overs opgegeten werden. Wij hebben letterlijk onze buik vol van roast beef en chicken.( Soms gingen we stiekem pizza’s halen in de Aldi – jawel, ook down under!- tijdens de middag.) In het huishouden van een dominee wordt er ook voor elke maaltijd een dankgebedje gezegd, iets wat totaal vreemd is in die van ons. En na een maaltijd of drie was het aan ons… Jolien brak de lange stilte tussen “the girls” die gevraagd werden er eentje in het Nederlands te zeggen, en ging ervoor. De opening “Lieve God, bedankt voor de biertjes” staat voor eeuwig in ons geheugen gegrift. De volgende lange minuut waarin Jolien er een vervolg en einde aan probeerde te breien waren de moeilijkste in ons leven wat betreft lach inhouden. “Amen” en het eten kwamen nog nooit zo verlossend.

In Rosebud hebben we ook onze twee maanden in Australië gevierd. Toepasselijk met wijn, een zonsondergang aan het prachtige strand van rosebud, met zicht op de baai en de lichtjes. Een paar dagen eerder had Jeff ons ’s avonds meegenomen naar Arthur’s Seat, het hoogste punt op de peninsula. Vandaar heb je een fantastisch uitzicht over de hele baai en Melbourne. Zoveel lichtjes met daartussen een groot zwart gat van het water, het was echt sprookjesachtig, Parijs kan er nog een puntje aan zuigen. Tijd dat we verder gingen, maar niet na een afscheiddiner door ons geprepareerd: witloof en hespenrolletjes in de oven! Met smaak opgepeuzeld! Maar er zijn ook Australische ‘lekkernijen’ die we echt niet binnenkrijgen: Vegemite! Niet te beschrijven, maar doorgaans zijn het enkel de Australiërs die het lusten, omdat ze het van kinds af aan ingelepeld krijgen. Wij houden het bij de Tim Tams…sans problème!

En met een pakje Tim Tams tussen chauffeur en copiloot trekken we naar het zuidelijkste puntje van de baai om daar de ferry te nemen richting de Great Ocean Road!