De maand maart had een constante voor ons: de familie Wild, woonachtig te Rosebud op de Mornington Peninsula, op zo’n twee uur van Melbourne. De leden van het gezin die er vertoeven zijn papa Jeff, mama Margie, en de jongste spruit van vier, de twintigjarige Kari. We waren steeds welkom in hun huis, en aan hun tafel. Bovendien zijn het lieve en grappige mensen, dus sloegen we dat aanbod niet af en maakten van hun huis onze base camp om de streek rond Melbourne te verkennen. Toen we opnieuw (remember onze garage pitstop in Yarram) naar het zuidelijkste punt van Australië wouden gaan, op zo’n drie uur rijden, begon het lampje op het dashboard weer te branden, nadat het oxygen centre gerepareerd was! Dus wij terug… De garagist keek alles nog eens na, en resette het geheugen van het elektronisch dingetje in de motor dat de fouten registreert. (we leren bij over auto’s, maar de termen blijven moeilijk) Misschien was er gewoon nog een restant van de foutmelding in het geheugen. Met goede hoop ondernamen we poging nummer drie, deze keer met een kleine omweg naar Phillip Island, het eiland van de pinguïns. Na het eiland te verkennen, hebben we hier ’s avonds op een tribune (op de eerste rij) in de regen een uur en een half zitten wachten op zo’n 800 kleine pinguïns die de oceaan uit kwamen kruipen en meeuwen ontwijkend het strand over snelden, naar hun nesten aan land. Het eiland zelf is vrij klein en verder niet zo de moeite waard, tenzij je een autofanaat bent want er ligt een racecircuit. Toen we verder reden naar Wilsons Prom was ons vriendje het oranje lampje daar opnieuw! Na een luide vloek en gil of zeven toch terug gereden. Omdat het geheugen gereset was vond hij snel wat er mis was, niets ergs blijkbaar. Onze auto vraagt soms te veel zuurstof, soms te veel brandstof, maar daar merken we niets van als we rijden, en het schaadt de motor niet. Het grondig repareren zou ons alleen maar veel geld kosten, zei de garagist met een hart voor Belgische backpacksters. Hij heeft ons enkel de delen aangerekend, nooit zijn werkuren of expertise. Na al deze mislukte pogingen hadden we even onze buik vol van het naar verluid zo mooie Wilsons Prom. Men zou op den duur nog denken dat het vervloekt is. Dus besloten we naar Melbourne te gaan. We lieten onze auto veilig onder het oog van God achter op de parking van de kerk, en trokken met het openbaar vervoer en een mega backpack op onze rug. (de chauffeur vroeg of we toch op z’n minst de kitchen sink thuis gelaten hadden) We kozen de goedkoopste hostel uit de Lonely Planet en onderhandelden aan de balie nog over de prijs die danig van de prijs in onze reisgids verschilde. Met resultaat: 23 dollar per nacht in plaats van 30! Hier zaten we een week terug tussen jongeren, muziek, bars, winkels (maar we hebben ons ingehouden). Een afwisseling die nodig was. Het was ook St Patrick’s Day terwijl we er waren, een groot feest waarop we ook de vrienden uit Mallacoota terug tegenkwamen! Melbourne zelf beviel ons aanzienlijk meer dan Sydney. Het is vuiler, chaotischer, alternatiever, en stikt van de coole gebouwen. De meest Europese stad in Australië, met delen die aan Parijs, Londen of Berlijn doen denken, maar dan met stralend weer! We hadden geluk, want de week ervoor leed Melbourne onder een storm van hagelbollen en sloten regen. Dit was ook een van de redenen waarom we een deal verkregen in de hostel. Tijdens de storm had een stuk dak het begeven en was de grootste kamer naar de vaantjes en stond de rest even onder water. De deur van onze kamer op het gelijkvloers knelde nog doordat ze uitgezet was door het vocht. Melbourne was ook leuk omdat we een persoonlijke gids hadden: Jonathan, een klasgenootje van Jolien uit het middelbaar. Hij zat al zo’n twee maanden in Melbourne en deelde zijn kennis van en liefde voor de stad maar al te graag. MERCI JONATHAN! In dezelfde hostel zat nog een Belgische, Evi. Het was leuk om nog ’s zo veel Vlaams te horen (Antwerps en Limburgs). Meestal krijgen we te horen van mensen dat we de eerste Belgen zijn die ze tegenkomen, nu vormden we bijna een meerderheid. Toch spraken we bijna altijd Engels onder de Belgen, de anderen dachten anders dat we zaten te roddelen.
Na de citytrip gingen we onze auto ophalen in Rosebud en trokken we voor de bijna ontelbaarste keer richting Wilsons Prom…and we made it! Na een lange kronkelige rit in het donker tegen vijftig per uur (want het wemelde van de wombats en kangoeroes langs de weg) kwamen we midden in de nacht aan in Tidal River, een soort dorpje dat vooral uit een groot (450 plaatsen) kampeerterrein bestaat, midden in het natuurpark. Te moe (en ook een beetje bang van de giant kangoeroe die naast ons stond) om onze tent nog op te zetten, sliepen we in de auto. Wanneer we hem ’s ochtends naar onze kampplaats wouden verzetten, bleek dat de knopjes van de elektrische ruiten niet meer meewerkten…Erg jammer voor de linkerruit die voor twee derde open stond. Nadelig daarenboven in een natuurpark waar beesten naarstig op zoek gaan in auto’s en tenten naar eten. Extreem lastig aangezien ze regen voorspelden. Maar wij laten ons al lang niet meer kisten door autoproblemen en pakken dat meteen op onze manier aan: met een oude handdoek, onze verzameling plastic zakken en de uit medelijden gekregen plakband van de rangers van het park knutselden we heel professioneel een compleet ondoorzichtige en meer dan marginaal uitziende opstelling die regen, beesten en dieven moest ‘tegenhouden’. Trots op onze tijdelijke oplossing stortten we ons met een lunchpakket in de rugzak op de wandelpaden. Het was het allemaal waard, de oranje lampjes en de defecte ruiten gleden uit onze gedachten bij het zien van de Prom. Na een goeie actieve tweedaagse en een autorit terug die iets minder vlot ging met een trage (Vlaamse) Karin in onze GPS en geen zicht op het verkeer langs de linkse kant, kwamen we terug aan bij onze favoriete garagist op de Peninsula: RJ! Hij moest lachen toen we opnieuw aan zijn deur stonden. Kostprijs van de reparatie: 50cent. Blijkbaar waren de twee zekeringen gesprongen die de ruiten, de airco, de pijltjes van de benzine, toerental en warmte in de motor in leven hielden. Weer een mysterie minder voor ons wat betreft auto’s!
Wat hebben we dan toch uitgespookt in Rosebud tussen al deze trips en garagebezoekjes door? Geluierd, we geven het toe. Kari was heel blij met nog wat jongeren in haar omgeving (ze wonen er nog niet erg lang, en het is bovendien een zeer ‘grijs en kreupel’ dorp, dus erg veel vrienden heeft ze er niet). Ze vertroetelde ons, “the girls”, maar al te graag. Ze kocht Tim Tams, een Australische lekkernij die je zelf moet proeven, uitleggen lukt niet, Stella Artois, en ze stelde elke avond haar dvd collectie ter beschikking. Zo huurde ze zelfs eens ‘In Bruges’ om ons een thuisgevoel te geven. Kari heeft wel een beste vriend die in Melbourne woont, Jack. De jongen heeft het niet getroffen, hij heeft zware suikerziekte en epilepsie en mag bijgevolg niet met de auto rijden. Dus wat doen Jack en Kari? Sleep overs bij de vleet. Ze noemen zichzelf een getrouwd koppel zonder het te zijn. Of zoiets. Ze belden elkaar zo’n zes keer per dag… Al was het maar om te zeggen dat ze met ons, “the girls” naar ‘Alice in Wonderland’ ging kijken. Wij hadden de Kari zonder Jack liever, maar namen Jack er dan maar bij. De ouders waren erg blij dat wij er waren, omdat we blijkbaar een heel goed effect hadden op hun dochter, die voor onze komst nogal moeilijk was, en niet uit bed wilde komen. Daarnaast waren ze ook blij omdat wij zo’n opgeruimde meisjes zijn en ook niet vies zijn van een beetje op te ruimen. Een woordje uitleg: Jeff en Margie zijn lieve en genereuze mensen, maar ook erg chaotisch en rommelig. Wij komen blijkbaar allebei uit een huishouden waar er afgeruimd wordt na het eten, en alles meteen weggezet wordt. Nu, in dit huishouden ging dat … lichtjes anders. Wij vonden het een kleine vanzelfsprekendheid om dat op te ruimen, zeker in ruil voor de gastvrijheid, zij vonden een klein wonder dat hun keuken en eetkamer opgeruimd waren. Ze heeft ons zelfs op het einde aangenomen om op een namiddag de ouderlijke slaapkamer op te ruimen. Resultaat: ze durfde er niet meer in te slapen totdat de man van een conferentie terugkwam (drie dagen!).
We hadden al gezegd dat Rosebud een ouden-van-dagen resort is. Maar dat we ook bij Margie thuis zoveel grijze haren gezien hebben verdient een alinea uitleg. Dominee Margie wil tijdens de vasten haar ouderlingen (een groep mensen die voor de anderen in de gemeenschap zorg dragen) bedanken voor al hun werk door hen uit te nodigen voor de lunch. Die ouderlingen zijn met zo veel dat we tijdens ons verblijf een stuk of zeven lunches meegemaakt hebben. Zeven keer looprekken in de gang en een tafel vol grijze haren, dikke brillen, en getater over kleinkinderen over heel Australië. Want iedereen had wel een plekje te vermelden dat we zeker gezien moesten hebben, daar waar zoonlief X of kleindochter Y woonden. Very cute. En een goede oefening voor ons Engels, stuk voor stuk curieuze-neuze- mosterdpotten. Die lunches hielden ook in dat Margie erg gestresseerd rondliep, wij een handje toestaken, en dat er steeds in dagen die volgden de left overs opgegeten werden. Wij hebben letterlijk onze buik vol van roast beef en chicken.( Soms gingen we stiekem pizza’s halen in de Aldi – jawel, ook down under!- tijdens de middag.) In het huishouden van een dominee wordt er ook voor elke maaltijd een dankgebedje gezegd, iets wat totaal vreemd is in die van ons. En na een maaltijd of drie was het aan ons… Jolien brak de lange stilte tussen “the girls” die gevraagd werden er eentje in het Nederlands te zeggen, en ging ervoor. De opening “Lieve God, bedankt voor de biertjes” staat voor eeuwig in ons geheugen gegrift. De volgende lange minuut waarin Jolien er een vervolg en einde aan probeerde te breien waren de moeilijkste in ons leven wat betreft lach inhouden. “Amen” en het eten kwamen nog nooit zo verlossend.
In Rosebud hebben we ook onze twee maanden in Australië gevierd. Toepasselijk met wijn, een zonsondergang aan het prachtige strand van rosebud, met zicht op de baai en de lichtjes. Een paar dagen eerder had Jeff ons ’s avonds meegenomen naar Arthur’s Seat, het hoogste punt op de peninsula. Vandaar heb je een fantastisch uitzicht over de hele baai en Melbourne. Zoveel lichtjes met daartussen een groot zwart gat van het water, het was echt sprookjesachtig, Parijs kan er nog een puntje aan zuigen. Tijd dat we verder gingen, maar niet na een afscheiddiner door ons geprepareerd: witloof en hespenrolletjes in de oven! Met smaak opgepeuzeld! Maar er zijn ook Australische ‘lekkernijen’ die we echt niet binnenkrijgen: Vegemite! Niet te beschrijven, maar doorgaans zijn het enkel de Australiërs die het lusten, omdat ze het van kinds af aan ingelepeld krijgen. Wij houden het bij de Tim Tams…sans problème!
En met een pakje Tim Tams tussen chauffeur en copiloot trekken we naar het zuidelijkste puntje van de baai om daar de ferry te nemen richting de Great Ocean Road!
Geen opmerkingen:
Een reactie posten